Zwembadpas


Langzamerhand begon hij toch steviger door te stappen, want hij was voorbij een klok gekomen die al over half vijf wees. En hij moèst vóór vijf uur thuis zijn, daar ging niets van af. Stel je voor: 'Waar kom jij zo laat vandaan? Je moet toch om half zes weer op avondschool zijn?' 'Nog een tijdje staan te kletsen met mijn meisje.' 'O, ben je er zó een. Goed. Best. Morgenochtend ben ik bij je meester, om dáár eens over te praten. Dat gaat zo maar niet, snotneus!' Pats, was meteen alles bedorven! Als hij gek was! Hij nam de zwembadpas. En de straten waren al bijna donker; en hij zei zachtjes, precies op de maat van zijn lopen: 'Ro-sa-Over-beek, Ro-sa-Over-beek.' Lekker, kon niemand hem wat voor maken, dat hij zo op de maat van haar naam liep. Hij hield het vol tot aan huis. (Theo Thijssen, 1923)