Een wonderbaarlijke terugkeer (8)


Achtste toneel: St-Janskerk

 

Mijn gids liep over van verontwaardiging over zaken die mij volstrekt onbekend waren, en zette hiertegenover kennis waar ik weinig of nog nimmer over had kunnen nadenken. In zijn opwinding bestreek zijn geest de gehele wereld. Oorlog en vrede, het weer, de waterstand, ja, de gehele wereldbevolking betrof zijn bekommernis. Een taak die alleen aan goden voorbehouden is om te volbrengen, had hij zich op de hals gehaald; altijd alles te zien en alles te weten, overal bij betrokken te zijn en voor alles verantwoordelijkheid te voelen. Eén vraag brandde mij echter op de lippen, en ik durfde hem nauwelijks te stellen, maar hij leek mij de enig juiste vraag voor het moment, en het antwoord absoluut noodzakelijk om mij te oriënteren; is dít thans de eindtijd, zoals aangekondigd in de Heilige Schrift? De gids lachte beschroomd en zei: Een eindtijd, wellicht ja, het begin van een laatste tijd, zo zou je het kunnen noemen. Ons gesprek viel stil. Voor de eerste maal keken we elkaar recht in de ogen. Ik zag een vaderlijke blik. Ik zag vriendelijke, iets toegeknepen ogen, turend als naar een langzaam in het donker zich openend luik. Hij vervolgde: Er is nu, zoals te zien is, een ander gevoel over God en zijn ingrijpen in de wereldgeschiedenis. God wordt heden uit de historie weggelaten en als overbodig gezien. De mensen nemen genoegen met het aardse en zichzelf, ga kijken, zei hij; ze sluiten zich op in hun huizen, die boordevol instrumenten en werktuigen staan die hen vrees, hoop, zorg, spanning en sensatie aanjagen, maar buiten beleven ze niets en zijn ze machteloos. Ze lopen je ongezien, stom omver en roepen: Vrijheid des geestes! (Wordt vervolgd)