Een wonderbaarlijke terugkeer (5)


Vijfde toneel: In de éénentwintigste eeuw, in de oude binnenstad van Gouda.

.

Het volgend moment kwamen wij uit een lage tunnel, in een gracht in de oude stad Gouda. Charon stopte de boot bij een opstap in de kade, waar hij mij en de koopman met een tik tot leven maande, en richting wees. ‘Kom, neem de tijd en leer ervan‘, zei de veerman, ‘dit is de wereld waarin ik jullie laat.’ Op de kade liepen zeer diverse passanten, het merendeel rijk en in gestreken goed, maar ook armen zag ik, schichtig op klein gebied zoekend naar vervulling van de eerste noden. Een man op een bank zat met een doos vol helgefoeter en met afgedekte ogen te schudden of hij koorts had. IJzeren huisjes op wielen zag ik staan, een gemaskerde figuur, alsof hij voorbij viel, doofde mijn gehoor. Laten we van hier weggaan, zei ik tot de koopman, jij weet waarheen. Met genoegen zal ik je gids zijn, antwoordde hij. En terwijl hij mij naar een deur aan de overzijde van de weg geleidde, en ik in de opening reeds de geur van eeuwen gewaar werd, luidden de klokken, en betrad ik de eenentwintigste eeuw. - Vele uren waren verstreken toen ik door de zelfde deur de nieuwe kerk weer verliet, een vriend en tijdgenoot mij thans terzijde. Vermoeid van zoveel indrukken, en nauwelijks in staat de volle betekenis van wat mij daarbinnen was getoond tot mij door te laten dringen, verlangde ik te rusten en te dromen, als dichter. Daartoe zou de gids mij thuisbrengen bij een vriend, in een eeuwenoud gebouw, hier in de stad. We liepen over het marktplein, en zwegen; ik zag voornamelijk het licht. Boven de gevels van de huizen vormden zich in de wolken de koninkrijken van Europa. (Wordt vervolgd)