Tweede toneel: Langs de oever van de overzijde van de Styx
.
Eens meerde de veerman hier af met een verzopen, Vlaamse koopman, die hij als drenkeling uit de rivier had opgepikt. Ik zag hen naderen, Charon, onveranderlijk, onbewogen aan het roer, en de koopman, roeiend, zielsgelukkig met zijn voortbestaan. Tot Charon hem op de schouder tikte en voor zijn goddelijke dienst van de overtocht het vereiste muntstuk vroeg. Verschrikt keek de koopman naar hem op. De veerman, over hem heen gebogen, vond geen munt in de mond, stopte het veer, en dreigde de koopman terug te voeren naar het leven als er niet zou worden betaald. De koopman klopte zich verontschuldigend op de kleren, tastte in al zijn zakken, en haalde tenslotte een oude wissel van honderd tevoorschijn, welk stuk papier echter voor Charon van geen enkele waarde was. Hij weigerde dan ook de koopman op de oever af te zetten. Al smeekte de koopman in de eeuwigheid te mogen blijven, de knorrige veerman liet geen krimp. Als varend toneel kwam deze vertoning voorbij waar ik stond, toen plotseling de koopman mij van korte afstand in het vizier kreeg, en mij met krachtige stem aanriep bij een diep bezonken naam. Hij zwaaide met de wissel van honderd, en wenkte mij dichterbij te komen. Toen ik nabij gekomen was stak de koopman mij de wissel onder de neus, naar ik aannam om het aan mij over te dragen, zodat ik met Charon spreken zou voor zijn zaak, maar snel werd mij duidelijk dat hij anders bedoelde, toen ik op de wissel mijn eigen beeltenis zag. Ik wilde iets zeggen, maar het was of ik spreken moest tegen een geweldige storm, die mij de woorden terugblies in de mond. (Wordt vervolgd)