In deze lezing bespreek ik het Calvinisme en de Kunst. Niet de heerschende mode noopt mij daartoe. Kniebuiging voor een dweepzieke kunstvereering, als thans ingang vindt, zou niet strooken met den hoogen levensernst, die het Calvinisme steeds kenmerkte, en dien het met beter dan penseel en beitel, dien het op het slagveld met zijn zwaard, op het schavot met het kostelijkst bloed bezegeld heeft. Bovendien die thans veldwinnende kunstmin mag u niet verblinden, maar moet met nuchteren zin en critisch oog geschat worden. Ge hebt hier te doen met het alleszins verklaarbaar verschijnsel, dat hetgeen tot dusver als het privilege van enkele bevoorrechte kringen gold, uitvloeit in den breeden burgerkring, en reeds zijn neiging verraadt om tot de laagste volkskringen af te dalen. Een democratiseeren zoo ge wilt van wat eertijds nooit anders optrad dan met aristocratische allures. En of nu de echte toonkunstenaar al klaagt; dat het pianospelen der groote massa op getjingtjangel, en het penseel-geknutsel op niets dan kladschilderen uitloopt, het rijk gevoel van ook zelf aan kunst te doen, is derwijs overweldigend, dat men zich liever den spotlach van den echten kunstenaar, dan het gemis van kunstopleiding in de opvoeding getroost. Aan kunst meê te doen, geldt thans als kenmerk eener hoogere beschaving. (Abraham Kuyper, 1899)