Oogstlied


Sikkels klinken;
Sikkels blinken;
Ruischend valt het graan.
Zie de bindster gaâren!
Zie, in lange scharen,
Garf bij garven staan!

’t Heeter branden
Op de landen
Meldt den middagtijd;
't Windje, moe van 't zweven,
Heeft zich schuil begeven;
En nog zwoegt de vlijt!

Blijde Maaijers;
Nijvre Zaaijers,
Die uw loon ontvingt!
Zit nu rustig neder;
Galm' het mastbosch weder,
Als gij juichend zingt.

Slaat uwe oogen
Naar den hoogen:
Alles kwam van daar!
Zachte regen daalde,
Vriendlijk zonlicht straalde
Mild op halm en aar.
 
A.C.W. Staring, 1820