Dragers
Misschien had je stil gehoopt dat hij zich had voorgesteld, en dat je erachter was gekomen wie hij was. Misschien had je gedacht dat de geopende deur naar kennis zou leiden, en dat je te weten was gekomen hoe het zat. Je had wellicht verwacht dat er antwoorden zou zijn, en dat je voortaan zou weten wat je moest doen. Omdat je helderheid naderde. Maar toen helderheid jou naderde, tot het alles verving, en al je behoefde aan kennis verstilde, werd je zelf drager. Toen schaduw ontbrak gaf je me geen naam. Je schiep geen hemel en geen aarde, je scheidde de wateren niet, je had het niet over goed en kwaad. Je oneindigde in een lach. Nu we zo spreken, en de gedachten zich vertakken, maar er niets meer is om aan te hangen, moet ook je eigen naam je vreemd gaan lijken. Als nog niet geschreven op de dunne lijn die ons verbindt.