Daarvoor kenmerkend


nationaal (bn.) [<Fr. national], 1 van een natie als zodanig, daaraan eigen, daarvoor kenmerkend, niet uitheems: de nationale klederdracht; een nationale eigenaardigheid; nationale muziek, zangen, liederen, danswijzen enz., die het karakter, de aard en smaak van een volk kenschetsen; 2 van, behorend aan of bij een natie als zelfstandige gemeenschap, syn. staats-; de nationale vlag; nationale industrie, volksnijverheid; nationale schuld, staatsschuld; nationale belangen, volksbelangen; nationale vergadering, vergadering van volksvertegenwoordigers; nationale feesten; de nationale feestdag, de viering van bevrijdingsdag (5 mei); 3 op een natie in haar geheel betrekking hebbend, niet op afzonderlijke personen: een nationale vijand; onze nationale onafhankelijkheid; nationaal budget, raming van de ontwikkeling van de volkshuishouding in een komend jaar; nationaal inkomen, de optelsom van wat de gehele bevolking over één jaar verdient; nationaal product, de waarde van de totale productie van een land; nationaal plan; een nationaal kabinet, zie bij kabinet; 4 vaderlandsgezind: met nationale gevoelens bezield zijn; hij denkt zeer nationaal.

Uit: van Dale, deel J - R