Jarig


ja'rig, bn., 1. één jaar oud: een jarig kalf; jarige rogge;-
2. jarig zijn, zijn geboortedag gedenken, de dag bereikt

hebben waarop men precies een bep. aantal jaren oud
is;(gemeenz.) (als dat gebeurt)
dan ben je nog niet ja-
rig
, niet gelukkig, dan komt er wat kijken;-(gew.) dron-
ken. ja'rige, m.-v (-n), persoon die jarig is.


uit: van Dale deel J-R