Van de Krim


'( ) O, dit heldere einde van de dag,
Met zijn bloedrode kleuren de genadeslag.
Waar de plaats was van de goden voor de offers van de aardse maagden,
– Daar, in een winkel – verkoopt men kaas en
Waar een godheid voortschreed, geen opgezette, maar een echte,
Daar zijn lege kisten in elkaar gezet.
En mijn hoed afnemend,
En me tot de wolken wendend,
En mijn voet
Een beetje scheef zettend, stamel ik – ik ken ze niet – ( )'

(Velimir Chlebnikov, 1909)