Iets van binnen uit


Al meer dan een half jaar is er een hoekje van mijn kies, ik zou er nu toch eens naar moeten laten kijken. Ik beet niet eens op iets hards, herinner in mij, maar te gretig in iets zachts. Het voelde akelig uiteen te vallen. Ik bewaarde het mijndeeltje met het idee dat iemand het er weer aan zou kunnen zetten. Ik maakte er zelfs een foto van. Eindeloos heeft mijn tong het breukvlak afgetast, als een bedroefde weduwnaar die steun zoekt op de zerk van zijn geliefde. Nog steeds heb ik op onbewaakte momenten de neiging me het geval als gat voor te stellen en me erdoor naar binnen te wurmen. Zo tegen het in slaap vallen bijvoorbeeld, als duisternis in duisternis thuiskomt, als ik met psychoscopische precisie zie wat zich vanbinnen afspeelt. (Het vormprincipe in de droom gaat uit van de kwaliteit van de substantie, en minder van esthetiek. Eigenlijk speelt de vorm in de droom geen grote rol, vormgeving is een bijkomstigheid. Misschien omdat volumes in de droom op geen grens stuiten, op geen tweede ding, zoals een buitenwereld. Dromen hebben geen oppervlakte. Ruimte krijgt hierdoor een vreemde werking, begrenzing wordt iets sferisch, iets gevoelsmatigs, iets van binnen uit.) Ik laat het nu maar zo.