| toon 1 reactie
Losbollen
.
Dat we met z’n allen op een gigantische bol rondsuizen in de onmetelijke ruimte van het heelal is voor de Losbol al zo’n immens gegeven, dat geen enkel geloof in onzichtbare zaken hen méér zou kunnen verbazen. Hij hangt een nuchter zintuiglijk realisme aan dat door z’n simpele onweerlegbaarheid is opgewassen tegen iedere vorm van geloof in eventuele bovenzinnelijke samenhang. De vraag of er richting, zin of sturing in de oneindigheid is of niet brengt de Losbol dan ook amper van de wijs. Het wankel evenwicht der dingen werkt hem nauwelijks op de zenuwen, dat zaken soms scheef staan en in elkaar dreigen te zakken laat hem onberoerd. Toch is de diepste angst van de Losbol de gedachte er na de dood volledig bewust en in eenzaamheid achter te moeten komen dat er inderdaad niets is na de dood. Nonchalant voegt hij zich als individu in de rij der mensen, het onvermijdelijk bijproduct van zijn ongebonden zijn, en wacht gelaten af of er op het einde iets voor hem overblijft of niet.