Complex


Het lustwezen moet zijn lust winnen uit het prikkelveld rondom zich. Maar als nog volstrekt hulpeloos is de pasgeborene daartoe uit eigen beweging helemaal niet in staat. Voor zijn lustwinst is het kind daarom helemaal aangewezen op anderen die voor hem zorgen. ( ) Het is de ander die instaat voor de lustwinst van het kind. Het kind behoeft hier niet eens een Ik, en er is ook geen Ik dat iets ervaart: elke prikkel – in principe onlust – wordt onmiddellijk door de zorgende ander in lust omgezet. Vanaf een bepaald moment in de ontwikkeling van de zuigeling lukt die onmiddellijke onlust/lustomzetting niet meer. Voor het kind is dit een waar trauma. Het oertrauma waar de psychoanalyse het over heeft, is met andere woorden niet gelegen in wát het kind meemaakt, maar dát het überhaupt (iets) meemaakt. ( ) Het vermogen tot ervaring maakt dat de ander en de hele realiteit los komen te staan van het kind – ( ) Het kind heeft hier maar één uitweg: lust beleven aan de in principe onlust verwekkende werkelijkheid. Vanaf dan functioneert het (op zichzelf ‘simpele’) lustprincipe complex. (Marc de Kesel, 2019)