Ereleden


(...) spijt: alle vermaningen ten trots zette hij zijn zin door.

II. trots, I. bn. (-er, -t), 1. vervuld en blijk gevend van een gevoel van meerderheid boven anderen: een trots geslacht; een trotse houding; trotse gebaren; daar is hij te trots voor; - vervuld van een groot gevoel van eigenwaarde: dit trotse volk; - (in gunstige zin) fier: een trotse ziel; de edele, trotse gang van een Arabische hengst; - (meton (...)

trotsis'me, m., leer van (...) : trotsisme weerhield de groep ereleden ervan in te stemmen met de feestelijke opheffing van hun vereniging, nadat nagenoeg al haar doelstellingen waren verwezenlijkt; -