Lintje


Slaven geeft men premies om zich goed te gedragen, niet aan vrije mensen. Ik geef echter toe dat de mensen erg gevoelig zijn voor dergelijke aanmoedigingen; aanvankelijk kent men ze toe aan werkelijk grote persoonlijkheden, maar algauw ontstaat er onderlinge na-ijver en gaan ze ook naar nietsnutten en naar omhooggevallen rijkaards, tot verontwaardiging van alle welmenende mensen. En al wie prat gaat op de zegetekens en standbeelden van zijn voorouders, is verongelijkt wanneer men hen niet prefereert boven alle anderen. Ik laat al het overige onvermeld, behalve nog dit: het is duidelijk dat men de gelijkheid, waarvan de afschaffing ook meteen het einde betekent van de gemeenschappelijke vrijheid, onmogelijk kan handhaven wanneer men van staatswege bijzondere eerbewijzen gaat toekennen aan iemand die uitblinkt in deugdelijkheid. (Baruch Spinoza, 1677 postuum)