Een minne zwakte


Als ik de koude tunnel doorloop in mijn dikke bomberjack, het schelle wit van gene zijde in, mijn bloedsomloop een running gag, als er een rilling opkomt die niet rillen mag, een minne zwakte vastgeklit aan zinnen over het verblinden van een prooi, het willoos naar de slachtbank zwikken van een ram, een drachtig ooi, gedachten aan de dood die uit het duister op je mikt vanachter een teveel aan licht, de bijna-wetenschap dat als ik hieraan toegeef, ik - verdooft het dreunen van een hart mij echoënd vanaf de wanden.