Openbaarheid


Het is een oude, uit de diepte van het menselijk bewustzijn opgegraven gedachte, en in de moderne tijd een wereldvreemde - maar, in wezen is de openbaarheid niet het domein van de mensen maar behoort zij in eerste instantie aan de Allerhoogste; God is de eigenlijke openbaarheid. Wat de openbaarheid van en voor mensen betreft, die heeft niets te maken met de oorspronkelijke betekenis van het begrip. Met de menselijke openbaarheid gaat immers een nagenoeg inerte duisternis gepaard, en de openbare ruimte, waarvoor men zich vrij vecht, is in werkelijkheid een slagveld voor schimmen met ondoorgrondelijke motieven. De menselijke openbaarheid is de plaats van afrekening, bij uitstek de arena van onwaarachtigheid, en het gemak waarmee de mensen zich erin begeven is net zo bedrieglijk als de successen die er schaamteloos in worden geëtaleerd. Maar komt men thuis, onbevangen, ongezien en in openbaarheid met zichzelf, treft men woordeloos in het verborgene het beste, vindt men in het ongekende het meest eigene, en wordt het publieke domein, met het gemak waarmee men graag in slaap valt, verruild voor wat onbewust en ontoegankelijk heet te zijn - voor een licht en een vertrouwdheid waarvoor men gerust de maskers laat hangen.