Het zout op de dis


Het ziet ernaar uit alsof God op de vijfde dag de boeren en handarbeiders en op de zesde dag de vorsten en voorname mensen heeft geschapen en alsof de Heer tot hen heeft gezegd: heerst over alle gedierte, dat op aarde rondkruipt, waarbij hij de boeren en burgers tot de wormen heeft gerekend. Het leven van de hooggeplaatsten is één lange zondag, ze wonen in mooie huizen, dragen sierlijke kleren en hebben bolle gezichten en een eigen taal. Voor hen ligt het volk als mest op de akker. De boer loopt achter de ploeg en laat die door de os trekken. Maar de rijke loopt achter hem aan en neemt het graan en laat hem de stoppels. Het leven van de boer is één lange werkdag. Vreemden putten onder zijn ogen zijn akker uit, zijn lijf is vereelt en zijn zweet is het zout op de dis van de hooggeplaatste. (Georg Büchner, 1834)