DONSEN
Met mijn twee gezichten
zit ik in een gedicht en
daar telefoneert mijn achterhoofd
met mijn beide oren,
over wat ik heb verloren
en mij toch zo had beloofd.
Nu moet mijn voorhoofd wel fronsen
om wat ik niet meer kwam na.
Warmte van duizendwekige dijen donsen
voorbij en ik zucht niet eens meer: sta.