Pispaal


Reken maar dat er wordt nagedacht, en niet alleen door de jongens en meiden in de keet. Voor iedere vierkante decimeter openbare ruimte is een plan en staat het stadsbestuur van oudsher voor de keuze ‘te vercoepen, demolieren ende ofte doen breken‘. Dit gebouw is overeind gebleven en heeft zijn historie, en wat voor historie! Afgestaan ben ik er, verkracht in mijn slaap, zwanger geraakt, bevallen, maar het kind... O, neem me niet kwalijk, sta ik in de weg, kunt u er niet langs, zo dan misschien?... Waar was ik, o ja, het kind, ik moest het afstaan. De cirkel was rond. Er braken arme tijden aan, we werden op straat gezet. Saaiwerkers uit Vlaanderen pikten onze banen en onze huisvesting in. Voor de schande die ik bracht werd ik onbetaald en roemloos tewerk gesteld. De meest lullige baantjes bedachten ze voor me, de steen des aanstoots was ik en bleef ik. De pest heb ik hier gekregen, doodgegaan ben ik er, verkocht, in de billen geknepen, of ik een varken was, wat al niet, in rook ben ik opgegaan en... Wat? Moet ik nóg verder aan de kant zegt u, op de hoek dan maar gaan staan?... Goed, naamloos dus. Op wacht heb ik er gestaan, verkleumd, stinkend tussen de paarden tot diep in de nacht, en nooit een vijand gezien. Wel klanten, die waren er zat in de afgelopen eeuwen, en... Nee maar, is het nou nóg niet genoeg, moet ik nou óók nog omver geflikkerd? Godalmachtig! Rustig, rustig maar... Nou goed dan. Maar weet u waarom ik erover begin, het is misschien gek dat ik het zeg, maar weet u, ik heb hier toch geluk gevonden, want geluk, ik zeg het, kan niet van bovenaf worden opgelegd, geluk is een stapeling en begint van onder af aan.