De vuilvis


Zijn afval haal ik dagelijks naar boven. Ik hengel braaf zijn vuilnis op. Zijn excrementen zijn mijn werk, ik zie ze langzaam drijven. Ze zweven aan de brug voorbij, verbergen zich in hoeken. Ik haal ze er beheerst vandaan. Geduld, mijn geest is peuren toegedaan. Mijn stok reikt buigzaam, sterk en ver. Er komt een dag dat ik hemzelf, dat ik de vuilvis vang.