Het heden


Wie leeft is niet vergankelijk, kent afbraak noch verval. Wie lacht is licht en opgewekt en glijdt blijmoedig weg. Wie zwemt in vreugde ziet het hellend vlak niet als voorbij zijn hoogtepunt. Wie met zijn buren zeskamp speelt blijft kind en vat geen ouderdom - en telt het heden mee.