Op een zekere dag besloot hij naar buiten te gaan, om te zien hoe het buiten hem was, en hoe het ‘daarbuiten’ op hem zou reageren. Uit deze bijzondere daad vloeide aanvankelijk een grijs universum voort. Omdat dit monochroom niet te harden was voor hem, gaf hij het grijs naar vier kanten de suggestie afstand te nemen. De waarheid onderscheidde zich, het licht werd zichtbaar, het leven ontstond en tevens het geluk. Deze vier wezens vormden het buiten, dat hem omgaf. Vervolgens hoopte hij dat de vier wezens zich hem zouden herinneren, en in alle vrijheid naar hem zouden terugkomen. Maar de vier vonden zichzelf reeds uniek en wilden de eenheid, die in hem besloten was, niet meer herstellen. Zo dreven zij verder uiteen, en veranderden gaandeweg in hun tegendelen. De waarheid werd een leugen, het licht verkeerde in duisternis, het leven liep uit op de dood, en het geluk ontaardde in een lijdensweg. Daarop riep hij opnieuw het grijs, dat zich in een zware baarmoeder boven hem verzamelde, en zei tegen haar; begin nogmaals, maar nu met minder vrijheid. En zo gebeurde het dat het grijs de kleuren baarde, en de wereld ontstond. En met de wereld begon de strijd van de kleuren om de vier eerder losgelaten wezens te verzamelen. Een eindeloze strijd want de vier waren inmiddels acht geworden, en de acht zestien en de zestien tweeëndertig en zo krioelde het voort. Hij zag het hele spel zich voltrekken. En als het grijs niet óók nog de nageboorte had gegeven, en met een bliksemschicht van liefde zijn hart had geraakt, was hij zeker stilletjes naar binnen teruggegaan, en had de deur voor altijd achter zich gesloten.