Uit de krop


En nu beginnen de lievigheidjes: tegen elkaar aandringen, elkaar voeren uit de krop, wat ook wel bekort wordt en dan trekkebekken heet (een anologon van zoenen, zegt Naumann heel wijs), buigingen maken en meer van die aardigheidjes, waar je bij kunt glimlachen en knipoogen, maar die je toch altijd met genoegen bijwoont. [..] Het huishouden van deze zeer verliefde en hoogdravende vogels is een tamelijk slordige boel. Ook kan ik zeggen: ‘deze vogels met hun rijk ontwikkeld zieleleven betrachten in het materieele van hun bestaan den sobersten eenvoud’. Dat kan iedereen nu opvatten, zooals hij zelf wil, want het is toch allebei mis. (Jac. P. Thijsse, 1904)