| toon 1 reactie
‘In de eerste eeuwen na Christus was het leiderschap vaak in handen van ridders met een hoog aanzien door hun grote verantwoordelijkheid voor de medemens. Zij waren ridderlijk in hart en nieren, loyaal en trouw in hun dienstbaarheid, vooral voor hun zorg voor de zwakken van de samenleving en kwetsbare vrouwen en kinderen. Een ridder moet de eer van zijn status hoog houden door zich waardig te gedragen en zijn familie niet tot schande te zijn. Dit eergevoel vereist de hoogste discipline: weinig spreken en enkel iets zeggen als het waar is, in alles wat hij doet uitblinken en steeds streven naar wat beter en hoger is, wat méér is en niet tevreden zijn met middelmatigheid. De ridder moet in alles uitblinken maar tegelijkertijd alle eenvoud bewaren, zich niet laten prijzen en belonen voor zijn heldendaden, bereid zijn raad te vragen, niet klagen maar tevreden zijn met wat er mogelijk is. Ofschoon de ridder geoefend is in het hanteren van wapens en vaak de edelgarde vormt van de vorst blijkt uit zijn trekken ook een sterk ontwikkeld feminien karakter.’