Bedelaars


Een arme blinde roept in Europa al behoorlijk veel medelijden op. Laat hij in India niet op zijn blindheid rekenen om de mensen te ontroeren... Nee, laat hij bij zijn blindheid verbrijzelde knieën voegen, een afgesneden arm of tenminste de hand, en laat deze zo bloederig mogelijk zijn, verder maar één been en een weggevreten neus, dat spreekt vanzelf. Wat sint-vitusdans met wat er overblijft, en dan zal hij er misschien een beetje zijn voordeel mee kunnen doen. De mensen zullen begrijpen dat zijn toestand te wensen overlaat, en dat een paar centen hem plezier zullen doen. Maar dat is niet zeker. Die tonelen zijn zo gewoon, zo talrijk. Er zijn zulke magere kerels dat je je afvraagt of het mensen of skeletten zijn. (Henri Michaux, 1967)