Wat mist


Voor dag en dauw ontvouwt en schikt de marktman al zijn waren. Gearriveerd in duisternis, gereed bij schemering om af te wachten wat de Gouwenaar bij daglicht van zijn handel vindt, warmt hij de handen met zijn oksels, stampvoet wat en blaast op zijn verkilde vingers. Een zwarte grap gewisseld met de ambulante buur, een kwinkslag voor de koffiejuf die met haar karretje inwendig vuur verspreidt. Wat mist is nog de klant.