Elk vogeltje (4)


Geen soortgenoten die elkaar de ogen vreten, lauwwarm aas aan repen rijten, kiekendieven, biddend boven jonkies. Waar gaaien kraaien, eksters van de afvalbakken krijsen, knijp ik de ogen toe. De dodelijke cirkel van de lammergier, bewegingloos en hoog en stil en machtig, verlamt wat lager leeft. Hij gaat. Goddank. Mijn hartslag en mijn angst. Te boven.
 

De vijand is te groot en zwart om voor te stellen.