| toon 2 reacties
Maak ik me breed met doek, de wijdte van een spanraam, strak gespied, de engerd wordt een vlek in lijkbleek schijnsel. De oorlogszucht die ik niet ken, het jachtinstinct, de lijkenpikkerij die ik niet in me heb - verbeeld die maar. Een silhouet, een kale tak, een dwaalgast van een jager. Wat ik mezelf ook tjilp – ik overwin mijn angst met vogelvangst – lost op in verf. De inborst van de rover. Bloeddorst. Moordzucht. Snap ik niet.