Elk vogeltje (2)


Ik ben een kneu, een keep met kneuzen. Een piepertje, een bange mus. Ik heb het hart niet van mij af te bijten. Niet voorbereid om kwaad, geweld en woordenstrijd te pikken, haak ik naar vedertjes genegenheid, naar dons van lotgenoten. Die vind ik wel, mijn ondersoort komt algemener voor dan lepelaar en trap. Maar er zijn nooit genoeg beteuterden. Voor dit. Dit levenslang. Onzeker zijn.

De vijand is te groot en zwart om voor te stellen.