Elk vogeltje (1)


Ik kwetter zachtjes in de wolk, verhef mij vallend als elk ander. Het twiet, rietwiet en rietwietwiet is nergens van de lucht. Bescherming biedt het wentelen in honderdvoud, in deeltijd, in geborgenheid van kunst-ver-e-ni-ging. Ik zoek het midden van de groep al zal ik dat niet vinden. Daarvoor is levensangst te ongewis, te draaierig, te schokkend. Ik houd de staartzwerm amper bij, verdenk het zwerk van noodlot. Van rampen. Elk moment. Van pijn. 

De vijand is te groot en zwart om voor te stellen.