Gestold in trots verdedig ik dit waterland, de plomp van mijn geboorte. Dit is ons territoriale recht, ons godsgerechte erfdeel. Indringers bijt ik toe: tot hier, geen stap, geen pasje. Standvastig rijs ik overeind, rechtop en stug gegrondvest. Mijn taak is om het wijkend tij te keren, het kwaad van buiten af te slaan, de waarheid van ons fier geslacht tot norm te laten stijgen. Ik ben bereid, sta vast. Wij en de mijnen, wij zullen niet wijken. Nog staan de straten blank.
reacties op dit artikel
#1 | 22-06-12 | jan graafland
In dit land van onverdraagzame gronden
waar dromen warren
met donkere wolken
daar valt het beton precies in de toon.
#2 | 23-06-12 | Marianne
Wat een mooi en prachtig woordgezeur ,
kijk toch eens om je heen en stap uit de plas van
18de eeuwse heroiek en de opgeheven vinger ,
de straten staan al lang niet meer blank en het
omgekeerde vereist nu moed , te durven voor
hetzelf te staan , verloochening is voor niemand goed .
#3 | 23-06-12 | louis verbeek
Hetzelf, de fris gewassen grindpaal aan de Waterlinie?
#4 | 23-06-12 | Marianne
Dat wat was , wat is , wat
zichzelf mag blijven als dat
niet op natuurlijke wijze van
vorm veranderd .
#5 | 24-06-12 | huub
Woordgezeur inderdaad. Niet het wijkend tij dient gekeerd doch het wassend tij. En waarom eerst sprake van "ik" en vervolgens van "wij"?
Moet het niet zijn "wij en de onzen"?
#6 | 24-06-12 | Marianne
De wonzen
#7 | 26-06-12 | cor zwart
gaan we analyse doen?
"ik" spreekt namens de groep "wij"
de standvastigheid keert het tij dat al wijkt
de mijnen behoren dus niet tot de groep "wij"
of nog erger, zoals vroeger op school:
wat heeft de schrijver hier bedoeld?
laten we het niet doen!