Boven de menselijke ellende


Een van de verbazingwekkendste schouwspelen die ik heb gezien, was de buik van mijn yogi-goeroe. Hij ving zijn adem langzaam vanuit de hoogte op, alsof hij hem verzamelde. Hij bracht hem door de borst en buik naar binnen en hoopte hem bijna tussen zijn benen op. Verschillende instructies die hij mij gaf, begrijp ik nu pas. Op dat moment was ik gehypnotiseerd door zijn buik, die buik die plotseling was verschenen en opgezet was, alsof hij een hoofd of een foetus bevatte, en die maar langzaam minder dik werd. De inademing duurde bij hem inderdaad uitzonderlijk lang. Hij lette er goed op zich niet te verwonden, want adem kan een gevaarlijke wond veroorzaken, als van een mes. Die buitengewone man, in wiens indrukwekkende borst liters lucht waren verborgen, die hij daarna verspreidde in zijn ziel, en die ondanks zijn tachtig jaar nog vrij jong leek, had volstrekt niets meer van een heilige. Hij stond boven de menselijke ellende, meer ontoegankelijk dan onverschillig, met een bijna onzichtbare goedheid, en zag er ook misschien ietwat verdrietig uit, zoals personen die door gigantisme zijn aangetast, of die meer talent dan persoonlijkheid bezitten. (Henri Michaux, 1967)