In de aanval


Ik ben in de aanval. Vroeger bracht ik daarmee zelfs het grootste deel van mijn droomtijd door. Sinds enige tijd heeft dat een bepaalde geprefereerde vorm aangenomen. Ja, het liefst duw ik nu terug. Vooral kinnen. Er zijn er grote aantallen. Zodra ze verschenen zijn maak ik dat ze terugwijken. Die kinnen die ik terugdring, die op me afkomen, en die ik terugduw zonder zelfs de hoofden te zien waarvan ze deel moeten uitmaken, die me niet interesseren, die ik zelfs niet bekijk, kinnen met anomieme hoofden, of nagenoeg... Die kinnen die naar me toestromen, ik bemoei me allleen maar daarmee, en ik heb mijn handen vol want er komen er steeds meer, niet dreigend om precies te zijn, zomaar wat kinnen, golven van kinnen die alleen maar wat meer zouden willen naderen en dat zeker zouden doen als ik er niet voor zorgde ze dat te verhinderen. (Henri Michaux, 1969)