Herfst


Geen kind heb ik aan jou gehad, geen knuffelbeest of minnevlam, geen springplank, opstap, wip. Een glijbaan naar de afgrond werd je mij, een hellend vlak in deze vuile zandbak, moordkuil, dip. Mijn ouwelijke jongensleven, trouw verzuurd en grotendeels vervlogen, wordt nooit, wordt nooit meer wat.