Het moi


‘Doordat de identificatie een identificatie met een beeld is (of met wat de moeder ziet) spreekt Lacan van de miskenningsfunctie van het spiegelstadium. Het kind identificeert zich dus met iets anders dan het zelf is, maar het is wel de eerste mogelijkheid tot de vorming van een identiteit. Het is een identiteit, ook al is het een fictieve identiteit. Zij behoort tot het imaginaire, het denkbeeldige. De eenheid, die het kind aangeboden krijgt, omvat niet alleen hemzelf, maar eveneens de ander. Omdat het kind nog geen onderscheid kent tussen Ik en de ander is het kind zijn beeld en geldt dit ook voor de anderen om hem heen. Er is sprake van een duele relatie: er is geen verschil tussen het kind en de moeder. De eenheid, de identiteit, die aan het einde van het spiegelstadium gevormd wordt, is het moi. Het moi is net als het ik-ideaal alles wat het kind niet is.’