| toon 2 reacties
‘Er was eens een arme krantenverkoper’. Zo begint het sprookje van de arme slooteend, die zijn overbevolkte sloot verliet om zijn geluk op de markt te gaan zoeken. ‘Begin er toch niet aan‘, zeiden zijn vrienden; ‘het is hier weliswaar alles armoede wat de klok slaat, maar je weet wat je hebt en van de markt komen zover wij weten alleen dode eenden terug‘. Toch vertrok de eend naar de stad, waar hij op de markt tussen honderden duiven zijn brood bij elkaar moest schrapen, wat niet meeviel. De duiven pikten hem op zijn kop en riepen: ‘Vuile gelukzoeker, ga terug naar je sloot. Er is hier geen geluk teveel, we hebben al het geluk zelf nodig.’ Een straatkrantenverkoper zag het en legde zijn kranten naast zich neer, pakte uit zijn tas zijn brood en strooide het voor de eend. Want duiven, die had de krantenverkoper hier al genoeg gezien, één meer of minder maakte hem niet uit, maar een eend, zo’n vrolijk waggelend snaterend handzaam schuitje op van die verrukkelijke, ongemakkelijke flippertjes, die vond hij prachtig, als een sprookjesdier. De eend at gulzig van het heerlijke brood van de krantenverkoper, die erg genoot van het geluk van de eend. Zo vonden beiden geluk op de markt, waar geluk naar verluid alleen te koop is, maar feitelijk voor het oprapen ligt voor wie het durft weg te geven.