| toon 4 reacties
Binnen de orde van het wetenschappelijke spreken was in de middeleeuwen het toeschrijven aan een auteur onontbeerlijk omdat het een vingerwijzing voor de waarheid vormde. Men vond dat een propositie zijn wetenschappelijke waarde aan de auteur zelf ontleende. Sinds de zeventiende eeuw is deze functie in het wetenschappelijke spreken steeds meer vervaagd: het functioneert nauwelijks meer, behalve om een naam te geven aan een stelling, een effect, een voorbeeld, een syndroom. Binnen de orde van het literaire spreken daarentegen is vanaf dezelfde tijd de functie van de auteur voortdurend sterker geworden: al die verhalen, al die gedichten, al die treur- of blijspelen die in de middeleeuwen in een minstens betrekkelijke anonimiteit rondgingen, daarvan willen wij nu weten (en wij eisen dat zij het zeggen) waar ze vandaan komen, wie ze geschreven heeft; wij verlangen dat hij de verborgen zin waarvan zijn werk doortrokken is onthult of op zijn minst op zichzelf betrekt; wij verlangen dat hij zijn werk verbindt met zijn persoonlijk leven, met zijn echte ervaringen, met het echt gebeurde dat aan de wieg ervan stond. Door de auteur krijgt de verontrustende taal van de fictie zijn eenheid, zijn verband, wordt zij in de werkelijkheid binnengebracht. (Michel Foucault, 1970)