| toon 4 reacties
Uit één boek kan ik niet lezen, van twee tenminste sla ik vuur. Drie lees ik er weldra in een uur, vier is gemiddeld is bewezen. Vijf boeken naast mijn bed, zes pillen waarop ik slaap, zeven verslind ik in een gaap, acht voor ik in de haast de wekker zet. Negen delen sla ik op bij ‘t ontbijt, tien neem ik er mee om uit te smeren, over de dag elf om nog bij te leren. Voor twaalf in de avond heb ik tijd. Dertien boeken ken ik uit mijn hoofd, aan veertien kinderen lees ik voor, vijftien boeken ’s avonds in elk oor, zestien eigenlijk, had ik beloofd. Zeventien op stapels in de kast, achttien sloot ik er, na overdenking, negentien in pakpapier na schenking, twintig boeken die ik graag betast. Eenentwintig boeken met mijn dromen, tweeëntwintig boeken op mijn lijst, drieëntwintig boeken die mijn vader prijst, vierentwintig net nieuwe uitgekomen. Driehonderd boeken voor een koper. Vierhonderd wil ik liever niet kwijt. Vijfhonderd moeten weg tot mijn spijt, zeshonderd mogelijk naar de sloper. Maar op zevenhonderd kunnen we zitten, onder achthonderd hebben we een dak, negenhonderd kamers met groot gemak, en Duizend en één boek om te witten.