| toon 1 reactie
Toen ik eenmaal teruggedrongen was, binnen in haar maagdelijk witte huisje, waar het verhaal mij ingefluisterd werd, deed zij een boekje open over liefde. Tussen ons gezegd, zij leefde ervan. Of ik dat ook begreep, was haar vreemde vraag. Of wat ik greep ook liefhad, zó liefhad dat ik het eten wilde ja zo graag, dat ik het werkelijk at. En dat moest, haar fee-zijn zij geloofd. ‘Vergeef me’. Maar ik begreep het niet, niet even, niet meer, of ergens diep van binnen wel. Dacht ik nog, meende ik te weten, was ik het toch nog niet vergeten hoe het was, hoe het in mij welde wat ik op afstand had gezet, wat ik al die jaren had verbeten? Dicht bij haar mond zocht ik steun dat iets te zeggen, maar stom bleef ik, een kind, verkleind, verkleumd, haar beglurend over mijn kraag. En zag ik hoe zij een sprookje was, hoe de sneeuw bleef liggen op haar koude wimpers, en hoe haar blik als uit een spiegel kwam. In de tuin nog werd onze stof een biografische notitie, in het slapen, achteraf. Hoe wonderlijk met mij en wat geschiedde in haar huisje, die oude winterdag.