Zwart gat


De hele dag was ik al vriendelijk terug geweest. Tegen de ”môgge buurman nog gefeliciteerd”-buurman. Tegen de “nou meneer, we komen niet uit een paasei hoor“-bedbezorgers. Tegen de “ghalloo”-straatkrantverkoper. Tegen het “hebt u een conusbaard?“-kassameisje. Tegen de “hé hoe is het met jou werk je nog steeds bij het filmhuis”-niet te ontwijken ouwe kennis, alles kon ik verdragen vandaag. Tot er opeens iets in mij knapte toen ik door de “momentje voor de dieren, meneer?”-meneer werd aangesproken. Voor een desk onder een parasol stond hij in fel oranje shirt voorbijgangers op te wachten met folders over dieren. Ik weet niet wat mij bezielde, maar er stak opeens een ongekende haat in mij op. Zonder ook maar iets te zeggen beende ik hem woedend voorbij. “Nee dus” hoorde ik hem mij namompelen. Ik probeerde mijn plotselinge zelfontbranding nog te temperen, maar niets hielp. Een nieuw begin. Ik zou een amoureuze liefde moeten beginnen, een wetenschappelijke ontdekking moeten doen, een nieuw filosofisch standpunt moeten formuleren, plotselinge politieke ruimte moeten vinden om een beweging op gang te brengen, of... Waarom sliep ik nog? Waarom kwam ik niet vooruit? Waren mijn talenten alleen een gouden rand van beloften om verder niets? Waarom hing mijn leven als een zwart schilderij los in de ruimte, en was er niets dat mij de moeite leek er blijvend op af te beelden?