Tot voor de poort


Ik zou willen dat er achter mij een stem zou zijn (een stem die al lang het woord had genomen, alles wat ik ga zeggen bij voorbaat verdubbelend) die zo zou spreken: 'Doorgaan! Ik kan niet doorgaan. Je moet doorgaan. Er moeten woorden worden gezegd zolang er nog zijn, ze moeten worden gezegd, tot ze mij vinden, tot ze mij zeggen - vreemde inspanning, vreemd tekort, je moet doorgaan, misschien is het al gebeurd, misschien hebben ze mij al gezegd, misschien hebben ze me al tot de drempel van mijn bestaan gedragen, tot voor de poort die mijn geschiedenis ontsluit, het zou mij verbazen als zij open ging'. (Michel Foucault, 1971)