Wellust


genot (o.; genietingen) [van genieten], 1 het genieten: het genot van zijn bezittingen; het genot der burgerlijke rechten; (in) het genot van -, het genoemde tot zijn beschikking hebbend of ontvangend: hij bleef in het genot van zijn vrijheid; het genot van een jaargeld; 2 wat iem. aangenaam aandoet, syn. genoegen, vreugde, wellust: zinnelijk genot; het is een waar genot, dat boek te lezen; onder het genot van een goed glas wijn, terwijl men dit drinkt; zich in genot baden, kwistig en overdadig leven.

Uit: Van Dale deel A-I