Een wonderbaarlijke terugkeer (12)


Twaalfde toneel: Oude slaapplaats

 

Waarde gids, je opmerkingen en inzichten zijn indrukwekkend en het is verleidelijk je niet alleen als vriend maar ook als dromend theoloog te antwoorden. Ik voel mij te gast in jouw tijd, een vreemdeling, maar meen dat ik toch iets van je denken zou kunnen opsteken, indien ik het met je zou nagaan. Ik wens het daarbij echter niet zó met je oneens te zijn dat onze wegen zouden moeten scheiden, wat niet wegneemt dat je mij thans op een kruispunt daagt waar ik liever de andere weg zou bewandelen dan die jij voorstaat. Je stelt mij voor, daar je meent dat mijn tijd beter was dan die van jou, met mij van tijd te wisselen. Je wilt me achterlaten in de moderne tijd, die je verfoeit, en die ik, naar jij meent, heb voorbereid en mede mogelijk gemaakt ja, volgens jou zou ik het heden als mijn welverdiende straf moeten zien. Maar zo zie ik het liever niet. Toch begrijp ik je verlangen naar een vroegere tijd. Zelf droomde ik van de wederopbloei van een oude, eenvoudige inspiratie. Nu ik echter voor de tweede maal leef, overigens zonder kennis, lijkt mij die eenvoudige inspiratie tastbaarder dan ooit. Vergeet niet dat wij vroeger net zo in het heden leefden als de mensen nu. Daaraan is niets veranderd in die zin, dat wij nog altijd slapen in hetzelfde dal van onwetendheid, doch ook, dat ons ontwaken onveranderlijk plaats grijpt in het altijd al aanwezige licht van Gods liefde. Ook daaraan is niets veranderd, tenminste voor hen die van de tijd steeds het heden nemen, zonder omzien. Voor hen staat iedere tijd als moment éénmaal in het midden van alle tijden stil, om door alle tijden te worden omringd, belicht en gewogen. Welk moment zou dan ongezien blijven als wij in het midden staan; wie, die leeft, zal onopgemerkt blijven voor de ogen van alle tijden, en voor zijn Heer? Waarom kijkt jouw tijd toch zó intens naar zichzelf, en voelt zij zich daarbij zó ongezien en alleen? Jouw tijd voelt zich zó ongeneeslijk ongekend, al wáren alle mensen broeders en zusters, hadden alle sterren namen; je wereld als geheel voelt zich een wees. Vaarwel. (Wordt vervolgd)