Dit of dat


Alle dingen waren aanvankelijk schoon. Alle dingen waren aanvankelijk tegenwoordig. Alle dingen waren aanvankelijk dichterlijk. Alle dingen waren aanvankelijk alles. Toen is de burger gekomen, die alle dingen in bezit nam, omdat hij alle dingen bezitten wilde. En de dingen verzetten zich niet en hij bezat alle dingen. Maar zij waren niet langer schoon, maar mooi of lelijk. Zij waren niet langer tegenwoordig, maar nabij of ver. Zij waren niet langer dichterlijk, maar burgerlijk òf dichterlijk. Zij waren niet langer alles, maar dit of dat. (Menno ter Braak, 1930)