Neusje


Je ruikt naar kaas, volvette Goudse. Ben je verslaafd misschien? Ik speur het door je strandjurk heen. Wij hebben nogal wat gemeen. Mijn oormerk is jouw brommerplaatje. Mijn achterpoten noem jij been, want je gaat liever niet voor dierlijk door. De avond valt, dus mijden wij die duistere gedachte. Moest jij nu trouwens niet meteen na paardrijles op stal? Ik ruik een spoortje angst, mejuf, ik heb daar zo een neusje voor.