Iets onuitsprekelijks


Dingen te vaag om erover te kunnen praten maar niettemin helder in hem aanwezig: de geur van een straat op een bepaalde zomerse zondagmiddag toen hij zes jaar was, een plek met door een boom opgebroken stenen (gezien tijdens een wandeling met een oom, hij was toen acht), sommige geluiddempende regendagen, het door merg en been gaand gekners van een tram in een railsbocht, het bocheltje in de stem van de man die boven hem woonde in die tijd, luchten, zwarte spiegelingen in ruiten die altijd iets onbehaaglijks gehouden hadden, regenboogvliezen in plassen, een bioscoopaffiche met daarop afgebeeld vijf rode tulpen die samen met een langs het trottoir staande bakkerskar iets onuitsprekelijks betekenden (…). (Jacques Hamelink, 1968)