Ook dezulken


Naar het schijnt, bestaat in sommige gedeelten van ons land nog altoos de voorstelling, dat de kerkelijke huwelijksbevestiging alleen mag verleend worden, wanneer een huwelijk op eerbare wijze gesloten wordt, maar niet wanneer het huwelijk, zooals onze vaderen het uitdrukten, op onordelijke wijze begonnen is of zooals men thans zegt, „gedwongen” is. Vandaar dat ons de vraag gesteld wordt, of zulke gedwongen huwelijken kerkelijk bevestigd mogen worden? (…) De grondfout van hen, die een kerkelijke huwelijksbevestiging in zulke gevallen niet geoorloofd achten, is, dat zij twee dingen verwarren. Dat de getrouwden reeds vóór het huwelijk vleeschelijke gemeenschap met elkander hebben gehad, is zeker een zondige daad geweest en daarover heeft de Kerk tucht te oefenen. Maar dat ze daarna in het huwelijk treden is niet een zondige daad; het is integendeel naar den eisch van Gods Woord, en de Kerkeraad zou, wanneer dit niet geschiedde, dezulken tot zulk een huwelijk zeer ernstig moeten vermanen en wanneer zij dit zonder gegronde reden weigerden, onder de tucht moeten stellen. Is het huwelijk nu in zulke gevallen een verplichting, door Gods wet opgelegd, dan kan de Kerkeraad wel schuldbelijdenis eischen voor de begane zonde, maar nooit de kerkelijke huwelijksbevestiging weigeren. Dit laatste is alleen dan geoorloofd, wanneer zulk een huwelijk zelf in strijd zou wezen met Gods ordinantie, bijv. wanneer een geloovige huwen wilde met een ongeloovige, maar hiervan is bij een gedwongen huwelijk geen sprake; integendeel, Gods Woord eischt juist, dat de begane zonde door een daarop gevolgd huwelijk weer goedgemaakt wordt. Zelfs zou men kunnen zeggen, dat in deze gevallen er een dubbele reden is om de kerkelijke bevestiging te zoeken, aangezien men daardoor voor heel de gemeente wil laten zien, dat men de begane zonde weer goed wil maken naar Gods eisch, door een huwelijk te sluiten, en dat men daarbij te meer de voorbede der gemeente verlangt om den zegen Gods op dit huwelijk, dien men door zijn zonde verbeurd had. De barmhartigheid en genade Gods komt daardoor eerst tot haar recht, dat Hij ook dezulken, als ze zich van hun zondigen weg bekeeren, Zijn zegen niet onthoudt. (H.H. Kuyper, 1925)